Gaan waar geen wegen gaan

Gaan waar geen wegen gaan

Door Ad van Nieuwpoort

In de roman Het Hout van Jeroen Brouwers begon Elbert Haman gewoon als een leraar Duits op een jongensinternaat, geleid door kloosterlingen. Elke dag fietste hij van huis daarnaartoe om les te geven. Maar na enige tijd werd hem door de abt gevraagd of hij niet in het klooster wilde komen wonen. Het lag voor de hand. Elbert had toch verder bijna niemand. Eerst verbleef hij in het gastenverblijf om wat te wennen, maar al snel werd hij ingelijfd in de orde. Hij leverde niet alleen zijn fiets maar ook zijn naam in en ging verder als Bonaventura door het leven. Voortaan ging hij gekleed in een bruin habijt.

Maar hoe langer hij daar zit, hoe benauwder het hem wordt. In dat klooster is van alles mis. Er zijn tal van spanningen tussen de broeders en dagelijks moet hij onder ogen zien hoe jonge jongens seksueel worden misbruikt. Zijn enige uitlaatklep is collega Theo, die niet is ingelijfd in het klooster. Theo rijdt, net als Eldert vroeger, elke dag heen en weer op zijn fiets. Als hij met hem over zijn benauwdheid en gevoel van medeplichtigheid praat, wijst Theo hem de deur waardoor hij naar buiten kan gaan. Theo zegt: ‘Trek die flauwekul toch van je lijf en ga! Je kan zo de hoofdpoort door. Rechtsaf. Rechtdoor. Heel simpel: je loopt naar die deur en je gaat.’ Elbert weet het. Hij weet hoe simpel het kan zijn. Maar hij doet het niet. Hij gaat niet door die deur. Het duurt eindeloos voordat hij zichzelf uit de gevangenis van het klooster kan bevrijden. Hij is één stap verwijderd van zijn bevrijding, maar hij gaat niet.

Uittocht heeft tijd nodig

Zo is dat ook in dat oerverhaal van Pasen. Het duurt eindeloos voordat het geknechte volk de benauwdheid van Egypte verlaat. De Farao laat hen niet zomaar gaan, maar ook het volk zelf is traag. Wat staat hen daar buiten Egypte niet te wachten? Ze weten het niet. Ze zijn vertrouwd met de benauwdheid, en weten niet hoe het is om daarbuiten te verkeren. Maar ze gaan. De weg die ze gaan, ligt niet op de kaart. Het is een volstrekt onlogische omweg. Uittocht heeft blijkbaar tijd nodig en duur. De graankorrel moet eerst de aarde in, zegt Jezus ergens. Het is een oefening in geduld en een oefening in het overwinnen van de angst. Niet voor niets duurt de Matthäus Passion ook zo lang, een hele zit. Maar het is niet alleen een lange weg, het blijkt ook nog eens een onmogelijke weg. Het volk wordt op een doodlopend spoor gezet, een weg die uitloopt op de zee. In heel de Bijbel is dat de metafoor voor dood en ondergang. En achter al deze opgestane mensen aan komt ‘Egypte’, ander woord voor de benauwdheid, het keurslijf waaruit ze net zijn uitgetrokken. De benauwdheid zit hen op de hielen. Klem zitten ze. Ze kunnen geen kant meer op. En het enige wat ze nog willen is: terug! Ze roepen het uit:

Zijn er soms geen graven genoeg in Egypte, dat je ons hebt meegenomen om te sterven in de woestijn?

Laat je je leiden door de angst?

Hoe begrijpelijk: liever een keurslijf dan sterven in de droogte. Better the devil you know than the devil you don’t. Maar dan? Dan komt het erop aan, als je klem zit. Met welk verhaal leef je? Laat je je leiden door de angst of door het vertrouwen dat er ondanks alles een weg is om te gaan? Dat is nu precies waar het boek Exodus over gaat. Dat je verder leert denken dan de concrete context waarin je zit. Maar hoe doe je dat? Mozes zegt:

Stel je op en zie de bevrijding van JHWH die hij jullie doen zal vandaag nog…

Het is wat de joodse filosoof Walter Benjamin de Blick der Erlösung noemt. Bevrijding als bril. Een bril die je dingen doet zien die tegengesteld zijn aan waarin je zit. Het is de hoop op dat het anders kan. Dat er midden in de nood een weg is om te gaan. Je weet: het kan niet. En toch: het kan.

Op die weg gaan we de komende weken tussen Pasen en Pinksteren. Noem het een leerweg vol hoop. Een  weg die ook de Messias Jezus gaat, hij die niet ver bij ons vandaan is.

Ad van Nieuwpoort

Terug naar overzicht…