Afscheid

Door Aart Mak

Het is vrijdagmorgen als ik dit inspreek. Terwijl om mij heen radio, televisie en internet – mocht je een van deze media even bezoeken – zich uitputten in beschouwingen over de in de afgelopen nacht overleden burgemeester van Amsterdam, probeer ik mij te concentreren op een ander afscheid. Maar eerst nu de burgemeester, Eberhard van der Laan. Indrukwekkende man. Als er iemand een voorbeeld was van wat een degelijk protestantse opvoeding teweeg kan brengen, mits iemand later ook volwassen wil worden en zijn eigen keuzes durft te maken, was het wel deze Van der Laan. Op de radio hoor ik een vrouw iets moois zeggen. Haar wordt gevraagd iets te zeggen terwijl ze bezig is een roos te leggen op de stoep van de burgemeesterswoning aan de Herengracht. Zij herinnert dan aan de spreuk van het wapen van Amsterdam. ‘Vastberaden, heldhaftig en barmhartig.’  Zij: ‘Wij hadden met Eberhard van der Laan een burgemeester die dat allemaal zelf ook was, vastberaden doorgaan zolang hij kon, heldhaftig en barmhartig, allebei. En daarom was hij zo goed en zullen we hem zo missen.’ Ontroerend. Mijn neef Geert wees erop dat hij behalve een calvinist ook een dokterszoon was: iemand die alles aan elkaar lijmde. Bovendien, aldus Geert: ‘Hij zag de stad als een gemeenschap waar je deel van uitmaakt en waar je af en toe hard moet ingrijpen.’ Allemaal mooie woorden bij de dood van een bijzonder mens, een politicus bovendien die niet aan zijn stoel vastgeplakt zat, nooit betrapt werd op mooipraterij en die zijn publieke functies zag als een ambt waar je ook weer een keer afscheid van neemt. En daar gebruik ik het woord afscheid weer.

Want ik wilde het toch al hebben over afscheid. Om mij heen, maar dan niet vandaag maar alle dagen, hoorbaar, merkbaar en zelfs in een soort stilte waar te nemen, hoor ik een vorm van geweeklaag. Mensen die ik ken zijn in de rouw. Niet om iemand, maar om de avonddiensten van Kerk Zonder Grenzen die na eind november gaan stoppen. En wat ik ook zeg, dat ik niet stop met de radio en al helemaal niet stop met het concrete contact met mensen bij nood en dood, blijkbaar vervullen die avonddiensten voor een aantal mensen zo’n rol in hun leven, dat het stoppen hiermee echt zeer doet. Dat begrijp ik. Al het nieuwe wordt een gewoonte en elke gewoonte wordt iets vertrouwds waarvan je je niet meer kunt voorstellen dat het er ooit niet was. En terwijl we elke zondagavond gespannen zitten te tellen hoeveel mensen daadwerkelijk in de kerk zitten en het zelfs beschamend weinig is bij een gastvoorganger, zijn er blijkbaar veel meer mensen die eraan hechten dat dit er is. Even  moet ik denken aan Vroom & Dreesman waarvan de vestigingen anderhalf jaar geleden sloten en waarbij ook veel meer mensen dat betreurden dan het aantal dat er daadwerkelijk nog eens wat kocht.

Nu weet ik ook dat dit voorbeeld mank gaat. Radio is een geheimzinnig medium. Ik weet als geen ander dat er mensen luisteren van wie ik nog nooit heb gehoord en voor wie die radio-uitzending een ongekende troost is, ook al heb ik daar als radiopredikant geen weet van. Radio maken is ook een vorm van zaaien en niet kunnen of willen weten of het zaad ook opkomt. Je moet niet meer doen dan je kunt overzien. Maar dit is nu net ook de reden dat mijn bestuur en ik besloten om wél door te gaan met radio-uitzendingen. In elk geval wat mij betreft, zolang ik nog in dienst ben van de stichting Kerk Zonder Grenzen. En als het niet via Radio Bloemendaal is – waar ook veel gaat veranderen, in elk geval technisch – dan is het wel via de eigen website. Dat zien we begin volgend jaar allemaal wel weer. Ik zoek – en dit is zowel persoonlijk als dat het een oude hartstocht is – aan het eind van mijn werkzame leven in elk geval nog naar andere vormen en manieren om mensen te bereiken dan de voor sommigen bekende maar voor velen onnavolgbare vorm van een klassieke protestantse eredienst. Bovendien: lokale kerkelijke gemeenten zijn er om het evangelie te verkondigen en in een beweging door gemeenschap te stichten. Dat laatste is nooit de opzet van Kerk Zonder Grenzen geweest in al die vijftig jaar. Soms was de stichting een tijdelijke gemeenschap voor mensen, een vluchtheuvel of een schuilplaats tegen de regen, om met mijn voorganger Alfred C. Bronswijk te spreken. En dan gingen mensen na verloop van tijd weer verder.

Wat ik wil is opnieuw mensen bereiken die niet bereikt worden door de taal en de manieren van de kerk. Dat zijn generaties die ik nooit van z’n levensdagen bereikt heb met alle energie die ik in de avonddiensten heb gestopt. Wat ik wil is kijken of het lukt deze stichting te her-programmeren zodat die ook de komende twintig jaar – dat zou al wonderbaarlijk lang zijn – traditie en moderne tijd, oude woorden, verhalen en riten met vrucht doorgeeft aan mensen die in de huidige tijden vaak worden beschreven als zoekers, nomaden of zelfs agnosten. Iemand als die ene zoon die elke zondagavond zijn moeder bij de kerk afzet en haar anderhalf uur later bij het koffiedrinken weer ophaalt. Bij die man, wat jonger dan ik – bij hem met name en vele anderen lees ik af dat deze vorm van traditioneel kerk-zijn haar beste tijd heeft gehad. Dat is wat mij en het bestuur drijft. En dat spijt mij oprecht, nogmaals gezegd, voor degenen die zo verknocht zijn geraakt aan deze vorm. Of aan mij. Maar afscheid nemen hoort bij het leven. Het is de enige manier om aan iets nieuws te beginnen, tenzij je alles bewaart en niets wegdoet. Maar dan word je gek. Het is erg genoeg dat we afscheid moeten nemen van mensen, zeker als dat een hoogstaand mens als de Amsterdamse burgemeester betreft. Maar afscheid nemen van vormen, manieren van doen, dat helpt juist om de geest weer te doen waaien.

 

 

Terug naar overzicht…