Noodlot, geloof, Korea en God

Door Aart Mak

Nu ik op halve kracht werk, heb ik meer tijd om te lezen. Ik lees bijvoorbeeld opnieuw de verhalen van Homerus over de Trojaanse oorlog, verhalen die naast de bijbelverhalen tot mijn jeugdliefdes behoorden. En net als toen verbaas ik mij over de vele goden die de Olympus bevolken, hun  voorkeuren en hun onderlinge wedijver, de afhankelijkheid van mensen van de goed- of afkeuring van deze goden, en toch ook de menselijke heldhaftigheid en tegelijk ook weer de kleinzieligheid, de jaloezie en de blinde drift. Ik vergaap me net als meer dan vijftig jaar geleden aan alle hartstochten in het brede spectrum tussen liefde en haat waar mensen blijkbaar vol van zijn. En allemaal, zowel de sterfelijke mensen als de onsterfelijke goden, zijn ze aan het lot onderworpen. Daarnaast lees ik daarom opnieuw en nu beter het mooie boek van mijn oudere collega Jan de Jongh. Het heet God in de kring van de goden en het gaat vooral over de Griekse tragedies en het christendom. De ene lezing sluit bij de andere aan. Want het officiële christendom heeft zich altijd gedistantieerd van het idee dat er een noodlot bestaat en dat mensen daar helaas en tragisch genoeg aan onderworpen zijn. Het christendom beweerde namelijk in navolging van het jodendom iets anders, namelijk dat er een één enig God is die alles bestuurt en het goede met ons voorheeft. Dus wat andere mensen misschien tragisch vinden, een verschrikkelijk verkeersongeluk, de dood van een moeder met nog jonge kinderen, een ziekte die het leven van iemand totaal op z’n kop zet, vinden christenen volgens hun geloof niet tragisch maar iets dat bij hun God vandaan komt en dat een oude catechismus zelfs beschrijft als dat alle dingen, droogte en regen, gezondheid en krankheid ons niet bij geval, maar van zijn vaderlijke hand toekomen.

Maar de vraag is of dat geloofwaardig is. In theorie misschien wel. Ik herinner me preken van voorgangers die als een bedreven advocaat probeerden de goedheid van God te verdedigen ten overstaan van de meest vreselijke dingen die mensen overkomen. Het leven kan immers geen tragedie zijn als God bestaat. De dingen gebeuren niet zomaar. Het noodlot bestaat niet, dus ook niet de grillen van het lot. Ook al kun je het zo voelen, dat gevoel moet je door je geloof zien te overstijgen. Ziedaar in een paar korte zinnen hoe generaties christenen man- en zeker ook vrouwmoedig hun door vijanden belaagde leven nooit van God los wilden zien. Het heeft tot buitengewoon stijlvol levende gelovigen geleid, die net als de geplaagde Job, God nooit afzworen, al hadden ze in hun binnenkamer wel het nodige tegen hem te zeggen misschien.

Maar de moderne mens die zoveel hoort, ziet en weet, kan dit niet meer nazeggen, hoe gelovig hij misschien ook wil zijn. Dat begon al in de twintigste eeuw. De industriële massamoord van de Nazi’s zette alle blijmoedige godsgeloof op losse schroeven. De beschaafde, door christelijke leraren en dominees opgevoede Duitse mens, bleek een massamoordenaar te zijn. En dat was, als je terugkijkt naar de dertigjarige, de tachtigjarige, de honderdjarige en de verschrikkelijke loopgraven-oorlog van nu een eeuw geleden, eigenlijk altijd al zo geweest, niet alleen Duitsers maar het gold voor mankind. De schaalvergroting bracht de duisternis van de menselijke ziel meer dan ooit aan het licht. De tragedie bestond dus wel. De Franse en Britse generaals van de Grote Oorlog van 1914-1918 beslisten als de Olympische goden van het oude Griekenland over leven of dood van miljoenen jonge jongens ver weg in de loopgraven. En ook die generaals waren net als de goden onderhevig aan het lot dat hen onverschillig of verregaand machtsbelust maakte, alleen hun eigen eer zoekend. Dat moet de blinde verteller Homerus dus bedoeld hebben. Hij had het over goden, in zijn tijd en zijn taal. Maar hij bedoelde dat mensen zichzelf en elkaar in de houdgreep van machtshonger, destructiviteit en doodsverlangen kunnen hebben. Alsof ze niet zelf meer kunnen nadenken. Alsof andere machten en krachten, onzichtbaar maar uiterst werkzaam, het hebben overgenomen. En vandaag hebben we allemaal de angst dat twee rijkeluiszoontjes die beiden, totaal vervreemd van het normale leven zijn opgegroeid en op de troon van de macht gezet, weer zomaar het zelfde kunnen doen: de dood omhelzen en denken ewr zelf levend van af te komen, als waren ze goden.

Dit overweeg ik dan in mijn binnenkamer. En ik vraag mij, met al die anderen voor mij, af: is het leven dan toch één grote tragedie en komt er bijna wetmatig, als een dreunende cadans van het lot, na een periode van vrede weer een periode van oorlog? Veel Afrikanen, Zuid-Amerikanen en mensen uit het Midden-Oosten weten daar alles van. Waren we in Europa zo onnozel dat we dachten hiervan verschoond te blijven? Behalve trouwens wat in de jaren ‘90 in het vroegere Joegoslavië gebeurde. Maar wat moeten we dan met God, in elk geval met degene zoals de christenen hem zien? Is er ergens nog een opening voor het oude woord almacht? Of weet God wel overal van, maar kan of wil hij er niets aan doen? In Amerika zegt een dwaze dominee die tot de adviseurs van Trump hoort, dat God het goed vindt als Trump Noord-Korea aanpakt. Mocht dat God zijn, denk ik dan, dan stop ik vandaag nog met in hem te geloven. Maar misschien, misschien, hebben we met elkaar iets totaal nieuws nodig, nieuwe taal en vooral nieuwe beelden. Zoals we ooit afscheid namen van de Olympus met al zijn goden, moeten we nu, althans de paar miljoen christenen in dit land die er nog zijn, afscheid nemen van de hemel als woonplaats van God. En als we nu wel blijven zeggen dat er toch iets goed kan voortkomen uit alles wat hier gebeurt en dat we, goed beschouwd, nooit ver weg zijn van wat wijs en waarachtig is. Is dat wat? Of en hoe God bestaat weten we niet, maar we houden de hoop vast. En misschien is God dan voorlopig alleen maar het ziekenhuis waar ieder die sterft als door het lot getroffen, worden opgevangen en verpleegd. God begint waar ons leven eindigt. Tot de dag komt dat hier een keer het licht doorbreekt. Dat denk ik, ik geloof het zelfs, maar weten doe ik het niet. Misschien is dat ook wel tragisch, zeker vergeleken met vroeger, dat een dominee als ik dat zegt, dat hij het wel gelooft maar niet zeker weet…

 

Terug naar overzicht…