Wat is een godsgelovige?

Wat is een godsgelovige?

Door Ad van Nieuwpoort

'Ongelovigen halen godsgelovigen in' kopte het dagblad Trouw naar aanleiding van weer zo'n onderzoek naar het religieuze gehalte van ons land. Met enige gretigheid werd dit bericht door vele media overgenomen: 'Nederland telt meer ongelovigen dan gelovigen'. Maar wat zegt zo'n onderzoek nu eigenlijk precies?  Er is geen groter containerbegrip te bedenken dan het woordje 'God'. 'De vraag "bestaat God?" heeft geen betekenis zolang men niet specificeert wat of wie men met het woordje "God" bedoelt', schreef Herman Philipse ooit terecht. Wat verstaan we onder 'God'? En als we iemand de vraag voorleggen of hij in God gelooft, wat vragen we dan?

Het woordje 'God' kan zomaar voor van alles en nog wat gebruikt worden. 'God' is vaak slechts een projectiescherm van wat wij vinden of denken. Een middel om je eigen overtuiging kracht bij te zetten. Het woordje 'God' zegt niets en daarom is het waarschijnlijk het meeste beduimelde woord uit onze taal. Mijn leermeester Rochus Zuurmond vertelde ooit over zijn eerste les in de 'godgeleerdheid'. Het was in de oorlog toen hij als jongetje in een Voorburgse tram naar Den Haag op de metalen koppel van een Duitse militair 'Gott mit uns' zag staan. Toen hij met verbijstering dit later thuis vertelde, antwoordde zijn vader dat het hier om een andere God ging. Het woordje 'God' is in de Hebreeuwse bijbel secundair en eerder een leenwoordje. De 'God' die zich in de teksten presenteert wordt aangeduid met de vier medeklinkers JHWH, in de Joodse traditie vaak aangeduid met 'de Naam' en in onze vertalingen (hoewel in de NBV niet consequent) met: de Heer. Als er in het Oude Testament staat: 'JHWH is God' dan is dat geen definitie van JHWH, maar een definitie van 'God'. Te midden van de vele goden waardoor wij worden omringd, is er telkens die centrale belijdenis die zegt: JHWH is onze God. Hij is anders dan de goden waar wij doorgaans achteraan lopen. Het is een naam waar wij niet zomaar de vinger achter krijgen. Die we ook niet zomaar in onze binnenzak kunnen steken. Het betreft een geheim dat wij op het spoor kunnen komen door ons te verdiepen in de verhalen over Abraham, Izaak, Jakob. En in het evangelieverhaal is het Jezus die uitlegt wat er met de God van Abraham, Izaak en Jakob wordt bedoeld. In de bijbel gaat het om een God die juist vaak het tegendeel is van wat wij gangbaar onder 'God' verstaan. Met de andere woorden: de bijbel helpt ons misschien wel in de eerste plaats van veel geloof af. Er wordt uiterst kritisch gesproken over de godsdienst en over de goden aan wie van alles wordt toebedacht om de problemen van onze werkelijkheid te verklaren.

Ook het begrip 'geloof' vraagt om nadere specificatie. In algemene spraakgebruik functioneert het vaak als een soort handtekening onder een aantal hoogst onwaarschijnlijke waarheden. Zo ook in dit onderzoek. In de bijbelse woordwereld is 'geloven' iets volstrekt anders. Het woord dat in de bijbel ten grondslag ligt aan ons woordje 'geloven' betekent trouw en vertrouwen. Het functioneert in het verband van een relatie. Vertrouwen heeft te maken met een ontmoeting. In een echte ontmoeting wekt iemand bij jou vertrouwen. En daardoor ga je in hem geloven. Geloven in bijbelse zin is leven van de aanspraak. Leven van het geloof dat de ander in jou heeft.

Als ze mij de vraag hadden voorgelegd of ik in God geloof en ik had dit moeten beantwoorden zonder een nadere toelichting, dan had ik, denk ik, ingevuld: nee! Een dagelijkse omgang met de bijbel verhindert me zomaar in 'God' te geloven. Ik snap steeds beter waarom de eerste volgelingen van Jezus 'atheïsten' werden genoemd.

Ad van Nieuwpoort

Terug naar overzicht…